Dit zijn autobiografische notities geschreven door André Volten zelf.

Mijn vader was een eenzelvige man, een eenzame idealist, die de consequenties van zijn principiële houding en gedrag lijdend en strijdend onderging.
Hij sprak weinig woorden en was altijd aan het werk. Er waren maar twee mensen die hem met Jacob aanspraken: een dorpsgek en een landbouwer, die misschien liever visser zou zijn geweest.

Alle anderen noemden hem Sam; misschien vanwege zijn afwijkend gedrag, misschien om aan te geven dat hij er, evenals joden, eigenlijk niet bij behoorde.
Hij leefde en woonde in het gereformeerde deel van Andijk. Met het gereformeerde deel van de bevolking had hij alleen het principieel dogmatisch gemeen, zij het dat de dogma’s lijnrecht tegenover elkander stonden. De verschillende principiële uitgangspunten werden niet gewaardeerd maar wel (h)erkend, geaccepteerd en getolereerd. Hij was anders en dat werd toegestaan omdat hij consequent was. Hij werkte altijd; aan zondagsrust of weekend deed hij niet.
Mijn vader had een eenmansbedrijf: hij was geen baas en geen knecht, hij had geen baas en geen knecht. Als het seizoen het weer en de zee het toelieten, was hij Zuiderzee-visser met een eenpersoonsroeiboot. Later, na de aanleg van de afsluitdijk, deed hij hetzelfde op het IJsselmeer. ‘s Winters, wanneer de zee te ruw en te gevaarlijk was, maakte hij sigaren die hij aan de plaatselijke bevolking verkocht. In de zomer leefde hij met de zee en de visvangst, in de winter trok hij zich terug in zijn sigarenschuur met zijn viool en zijn boeken. ‘s Zomers had hij geen tijd voor boeken en violen, bovendien waren zijn handen dan te stijf en te zeer (beschadigd door het water, het weer, de netten en de vis).
Sam Volten was belijdend anarchist, atheïst, vrijdenkend, antigodsdienst, antikerk, antimonarchie, antileger (dienstweigeraar: in de nor, Spijkerboor, een fort bij Purmerend, vond hij voor het eerst tijd om te lezen, want hij kwam uit een groot gezin, waar ook de kinderen van jongs af aan meewerkten in de sigarenmakerij), anti koloniale uitbuiting en onderdrukking, anti-alcohol, antischijndemocratie, antikapitalist, antifascist, antigeweld, antidictatuur, antislavernij, anti-…
Waar was hij voor?
Bevrijding en vrijheid. over wat daaronder begrepen en nagestreefd (met welke middelen en voor wie – voor allen?) zou moeten en kunnen worden, heb ik tot op vandaag geen antwoord. Ik heb zijn uiteenzettingen in mijn jonge jaren wel aangehoord, maar toen ik er met hem over zou hebben kunnen spreken en denken, was hij dood. De vrijheid was zijn eigen goed. Geen baas, geen knecht. Arm, trots, onafhankelijk. Altijd aan het werk, nooit ‘vrije’ tijd; een beroep met een grote mate van afhankelijkheid van de elementen.

Trijntje Broeder, mijn moeder, was de dochter van een landbouwer. Haar voorvaderen, zowel van vaders- als van moederszijde, bezaten oorspronkelijk veel land, maar dat was door vererving en andere rampen steeds kleiner in omvang en opbrengst geworden.
Zij had mijn vader ontmoet als lot- en celgenoot van haar broer Jacob, die evenals mijn vader in Spijkerboor wegens dienstweigering zijn straf moest uitzitten. Hun principes voor en tegen kwamen overeen, met dien verstande dat mijn moeder idealistischer was. Haar geloof in een betere wereld, in een beter lot voor de mensen, was groter dan dat van mijn vader. Zij was socialer, socialistischer zou ik bijna zeggen, en was aangesloten bij verenigingen en bonden (Blauwe knoop, gebroken geweertje…)
Ondanks haar zwakke gezondheid slaagde zij er in om het gezin met zachte hand en grote discipline, zonder straf of dwang, bij elkaar te houden en te verzorgen. Wij waren arm en de inkomsten waren onregelmatig. Zij was zuinig en sober, zij beheerde en bestuurde het huishouden. Mijn moeder was van grote ernst en trots. Zij liet zich niets wijsmaken, maar was zeer leer- en weetgierig. Streng en mild.

Met mijn twee jaar jongere broer heb ik weinig contact gehad. In zijn kinderjaren was zijn gezondheid niet best, daarna kwam hij in het eenmansbedrijf van mijn vader. Het werk in de vrije natuur deed hem goed. Hij was IJsselmeervisser en is op 24 februari 1972 als IJsselmeervisser verdronken, bijna 45 jaar oud.

Na de openbare lagere school in Andijk, heb ik de Rijks Hogere Burgerschool in Enkhuizen bezocht, en later die in Hoorn. Er valt weinig over te melden. Ik denk dat ik niet goed en niet slecht was. Ik heb er wel wat geleerd, misschien wel veel, maar dat heb ik pas later begrepen, toen ik de dingen zelf ontdekte, kon overdenken, en op mijzelf kon betrekken. Mijn Enkhuizer jaren waren, achteraf bezien, niet zo makkelijk. Door de solidariteit binnen het gezin werd verondersteld dat ik mijn vader hielp waar en wanneer dat mogelijk was. Voorl in de herfst (herfststormen) kon mijn vader mijn hulp goed gebruiken. Voordat ik op de fiets naar school ging, had ik met hem de netten al opgehaald: als roeier, hij haalde de netten binnenboord (voordien deed hij dat alleen). Als het gestormd had met grote golven en een woelige zee, was er behalve de vangst aan vis ook veel losgewoelde waterflora in de netten en waren de netten in elkaar gedraaid of op andere wijze in het ongerede gebracht. Dagelijks moesten de netten hersteld, schoongemaakt en gedroogd worden. Zo mogelijk hielp ik daarbij. De oogst (de gevangen vis) moest, als die tot onze grote vreugde groot genoeg was, per fiets of bakfiets naar de visafslag van Enkhuizen vervoerd worden. Dat deed ik. In latere jaren nam mijn boertje die taak en andere taken van mij over.

Met het vangen van vis heb ik, als kind al, immer grote problemen gehad. Van voedselketens, eco- en biologische evenwichten had ik geen verstand. Het leven bestaat bij de gratie van de dood. Ons leven is afhankelijk en wordt bepaald, niet alleen door onze eigen dood, maar evenzeer door de dood en het doden van ander leven; dat wij fokken, slachten en vreten. Tot op de dag van heden heeft dit onoplosbare en gruwelijke probleem mij bezig gehouden. Ik was en ben geen goede visser. Ik hou me bezig met betrekkingen, betrokkenheden en betrekkelijkheden.

Na de oorlog heb ik ruim een jaar in Amsterdam gewoond, en heb ik het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs bezocht (de voorloper van de huidige Rietveldacademie). Op die school en in die stad heb ik de kunst, de moderne kunst, de moderne beeldende kunst ontdekt en tot op zeker hoogte eigen gemaakt. De kunst als wijze van leven, de kunst als stelling,  de kunst als wezen, de kunst als leven.
Ik had niet de pretentie maar wel het verlangen daar deel van te zijn, daar bij te behoren. Ik had voordien nooit werken van eigentijdse beeldende kunst gezien. het dorp Andijk en de school in Hoorn waren ver verwijderd van dit deel (en andere delen) van het echte leven. Na de ontdekking, de herkenning en tot op zekere hoogte de vereenzelviging met de moderne kunst, is mijn bewondering, zeker voor de grote meesters, toegenomen en is mijn verlangen om hiervan deel te zijn (al was het maar door kennis te nemen) gebleven.
Pas veel later heb ik (nog altijd zonder pretentie, maar wel ietsje anders) voor een klein deeltje in het grote gebeuren van de beeldende kunst mogen deelhebben en deelnemen. Dat deelte is mijn werk geworden, mijn leven ook. Ik ontdekte dat ik het werk de moeite waard vond, dat het mij niet alleen de mogelijkheden en het materiaal verschafte om aan en voor te werken; aan mijzelf en aan het werk. Het werk werd de verbinding tot mijzelf en het andere (en later van mijzelf tot de anderen). Dat is zo gebleven, in wezen hetzelfde gebleven, en toch altijd anders. Daarvoor heb ik wel mijn eigen wiel moeten uitvinden. En ik denk dat dat voor eenieder geldt. Alle dingen moeten steeds opnieuw uitgevonden en ontdekt worden. Door onszelf, opdat we ze op onszelf kunnen betrekken.
Toen ik had ontdekt en uitgevonden dat de kunst voor mij een mogelijkheid zou kunnen zijn om door het leven te gaan (ik wil wel kapot, maar niet aan niks en zeker niet aan lulderij), hebben de processen zich bijna als vanzelf voltrokken. Geleidelijk en met horten en stoten, omdat ik het wilde en omdat het werk zijn eigen wetten, noodzakelijkheden en consequenties stelt.

Ik heb op en in het platte vlak gewerkt – niet zo goed, maar wel ijverig en bezeten – tot ik het reliëf ontdekte, zoals dat zich eerst uit het vlak ontwikkelde en later zelfstandig werd. De reliëfs waren  in hout en gekleurd. Niet omdat ik het materiaal en de techniek beheerste, maar omdat je alles kunt maken wat je echt wilt maken. En dat deed ik, gebrekkig en met tekortkomingen.
Toch niet echt tevreden met het resultaat, en op zoek naar materialen en technieken die minder nadrukkelijk sporen van verbindingen zouden achterlaten en die de mogelijkheid zouden bieden om de ruimte zelf als component te gebruiken, te respecteren en te openbaren, ben ik volontair geworden bij de Nederlandse Dok- en Scheepsbouw Maatschappij, met als oogmerk en verlangen te leren lassen.
Dat leren lassen (elektrisch en autogeen) is in betrekkelijk korte tijd gelukt, maar het ‘ten behoeve waarvan’ ik wilde leren lassen, is opgeschoven omdat ik moest afvragen: wat las je eigenlijk aan elkaar? Zo ben ik metaalbewerker geworden in de werkplaatsen van de scheepswerf, waar een stagetijd van enkele maanden is uitgegroeid tot een periode van meerdere jaren. De kennismaking met materialen en technieken, gereedschappen en machines heeft aanvankelijk tot heel andersoortige dingen in mijn werk geleid en tot andere zaken aanleiding gegeven dan ik oorspronkelijk van zin was. Pas veel later heb ik voldoende kennis, vaardigheid, afstand, vrijheid, eerbied en erkenning jegens het materiaal en de werktuigen verworden om ze te kunnen hanteren. Het klinkt wat ernstig en wat sentimenteel zo was ik in die dagen en zo ben ik eigenlijk nog steeds.

Ik heb mijn eerste studiën op de Keukenhoftentoonstelling laten zien. De Keukenhof heeft een ding gekocht, de Staat der Nederlanden deed hetzelfde, de architect Pierre Cuypers heeft mij mijn eerste opdracht gegeven (voor Het Nieuwe Lyceum in Hilversum), professor Hammacher bracht mijn werk naar Bieënnale in Ventië.
Ik ben min of meer onafhankelijk geworden; zelfstandig, behorend tot de categorie van kleine zelfstandigen zoals dat heet. Ik heb mogen werken om te leren waaraan ik werkte, ik heb mijn dingen aan de openbare weg mogen neerzetten als dingen tussen de dingen. Door het timmeren aan de weg en in de openbare ruimte heb ik me moeten en willen bezighouden met de openbare ruimte zelf- een schaars en kwetsbaar goed – en met de inrichting, functies, betrekkingen en spanningen van de verschillende componenten die samen de openbare ruimte vormen en openbaren.

Over het ijzer

Wanneer je ijzer (of staal) voldoende verwarmt, wordt het vloeibaar. De verschillende verschijningsvormen van het metaal zijn afhankelijk van de temperatuur. De techniek maakt gebruik van dit gegeven (gieten, smelten,
lassen). IJzer is geen standvastige of duurzame toestand van het element. Het is een fase, tijdelijk en kortstondig, tussen erts en schroot of roest… als wijzelf.
IJzer is een humaan materiaal, een element dat nauw en direct verbonden is met de mens. De aarde draait tussen de magnetische polen wij draaien mee.
Onze hedendaagse wereld is nog altijd met ijzer gebouwd en geconstrueerd. Van de bewapening in het beton tot de bewapening van pantservoertuigen op rupsbanden, van fragmentatiebommen tot vuurtorens, van injectienaalden tot scheermesjes, van onderzeeërs tot hoogspanningsmasten, van bruggen tot rails- en treinstellen, van kompasnaalden tot kogels en kogellagers.

Het ijzer heeft mij gemaakt; ik ben er nauw mee verbonden. Het past me: het is hard, met grote weerstand. Alleen echte harde materialen kunnen door omgang en bewerking echt zacht worden. Het materiaal en de techniek maken een bewerking mogelijk met een tolerantie van nul. Een honderdste millimeter is een gangbare maat. Niets is vaag of hoeft onduidelijk te zijn. Het is wel moeilijke, maar in staal is duidelijk en exact te formuleren. Ik wilde het zo, en het moet zo.

De periode die ik ind e jaren vijftig op de scheepswerf heb doorgebracht, heb ik ervaren als waardevol en betekenisvol in mijn leven en werk. Ik heb kennisgemaakt met wonderen, kristallisaties, openbaringen, mogelijkheden, beperkingen en limieten.
Ik was een kunstenaar die meewerkte in de productie op schepen en in werkplaatsen. als het werk het toeliet, mocht ik voor mijzelf studeren en experimenteren. Met de nodige argwaan en terughoudendheid werd ik aanvankelijk getolereerd en bejegend. Terecht. Respect moet worden verdiend en afgedwongen door kwaliteit van product en prestatie, niet door protectie van de directie.
Toch zijn er altijd mensen die zich over je ontfermen en die je beschermen: de vakmensen die het zich kunnen veroorloven om je ‘the benefit of the doubt’ te geven.
Van die vaklieden heb ik veel geleerd, in velerlei opzicht. Ze zijn er bijna niet meer, ambachtelijk geschoolde vaklieden. De werf deed in mijn dagen een poging zich aan te passen door ouderwets, ambachtelijk vakmanschap (de oorsprong) te verenigen en te combineren met geautomatiseerde productiemethodes. Die strijd is verloren. Aziatische scheepswerven met veel personeel en de modernste middelen starten nieuw of opnieuw zonder de herinnering en ballast van vroegere tijden.
Profielstaal (H-, I-, T-balken) ten behoeve van mijn werken heb ik eerst zelf gemaakt. Later bemerkte ik tot mijn schrik en vreugde, dat ze al lang standaard gemaakt werden voor allerlei doeleinden, in alle tastbare afmetingen.
Ik had ze niet nodig voor de constructieve doeleinden, mijn werk hoeft niets te dragen dan zichzelf, maar ik had dit basismateriaal nodig vanwege de plastische kwaliteiten. Het verschafte mij de mogelijkheid om deze algemeen aanvaarde en gekende vorm van materiaal, constructies te bouwen waarbij het niet-materiaal als ‘kromme gaten’ de constructie begeleidde en bij elkaar hield; de muziek van het materiaal, van en voor zichzelf en voor mij.

Ik heb moeten en mogen samenwerken met vele en veelsoortige opdrachtgevers:
architecten, stedenbouwers, overheden en vertegenwoordigers van alle geledingen van het maatschappelijk leven. Ik heb geleerd, ingezien en ervaren dat openbare kunst niet alleen moet voldoen aan de wetten van de kunsten, maar dat er tevens voldaan moet worden aan een groot aantal al dan niet duidelijk geformuleerde eisen en wensen van praktische, planologische, economische, financiële en technische aard. Dat is heel moeilijk en als je het niet wilt of kunt, moet je het vooral niet doen. Er gaat veel tijd, beslommering, ergernis en teleurstelling in zitten, maar ook veel voldoening en vreugde als het uiteindelijk toch lukt of tot een resultaat leidt.
Het resultaat is het product van een gezamenlijke inspanning, van samenwerking door alle direct betrokkenen. De grenzen van het mogelijke moeten worden vastgesteld, daarbinnen ligt de betrekkelijke vrijheid van de kunstenaar. Tezamen wordt bepaald of de renzen overschreven of verlegd mogen en moeten worden. Dat is het proces, dat begint bij de opdrachtformulering en eindigt bij het neerzetten en overdragen van het kunstwerk op een vooraf bepaalde plaats, die tijdens het proces soms nog een ietsje verschoven is. Want daar gaat het ook over. Het is niet voldoende om een kunstwerk te ontwerpen en te vervaardigen en het buiten in de vrije ruimte neer te zetten. Je krijgt geen ruimte: er wordt ruimte beschikbaar gesteld, en je draagt medeverantwoordelijkheid voor die ruimte. Voordat het aan de anderen kan worden aangeboden, moet je eerst een (deel van de) ruimte scheppen en organiseren, zodat een kunstwerk kan zijn en functioneren in contrast en/of harmonie met het andere. Zo worden de dimensies van het kunstwerk steeds groter: waar we begonnen bij een klein stukje grond aan de openbare weg, zitten we nu bij de grondslagen en de inrichting van een democratische maatschappij. Wat moet die en wat doet die met kunst? Wat is de plaats en de betekenis van de kunst? in een democratische gemeenschap?

Kunst is een zaak van weinigen en voor weinigen. Kunst is in wezen elitair. Het is een eenzame bezigheid, die onder druk en spanning staat. Het kost inspanning, niet alleen van de kunstenaar, maar evenzeer van de beschouwer, de toehoorder, de lezer…
Het is wel van belang dat het aantal ‘weinigen’ toeneemt. Kunst leent zich er niet toe om te worden gepopulariseerd, geprovincialiseerd, gedemocratiseerd, gesocialiseerd, gebureaucratiseerd of geprivatiseerd, maar staat ook niet op een verheven voetstuk of ligt opgesloten in een ivoren torentje, achterzolderkamertje of een bankkluis.
Ieder lid van een democratische gemeenschap is vrij en wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de kunst, maar hij moet er wel wat voor doen enw at voor over hebben; zonder inspanning komt niets tot stand. Bovendien is hij virj om er niets mee te maken willen hebben – hoewel dat nooit een verdienste is – en zich te verzetten wanner hij denkt hinderlijk lastig gevallen te worden.

Recreatie is herscheppen. Alle dingen moeten steeds opnieuw geschapen worden, het wiel wordt voortdurend opnieuw uitgevonden. Recreatie in de pretparksfeer betekent afleiding. Afleiding van het wezenlijke, geen afgeleide van het wezenlijke. Kunst dient vrij toegankelijk te zijn, opdat ze als informatiemedium kan functioneren op dit moment van de tijd en de ruimte, waar de kunst zelf uit voorkomt en wat ze mede formuleert.
Alle materiaal is beeldend materiaal, inclusief wijzelf. Alles mag en alles kan, alles is juist ind e kunst, zelfs schokken, kwetsen, beschadigen, vernietigen, verkrachten, vermoorden. Er moet wel een noodzaak voor zijn, het moet wel beleden en verantwoord worden en het moet een functie in het kunstwerk vervullen. Ik kan me soms een subtielere wijze van materiaalgebruik voorstellen, en ik geef daaraan de voorkeur. Ik heb moeite en maak bezwaar tegen vervuiling, ook in de kunst. Vervuiling is het oppervlakkige, tendentieuze resultaat van te weinig inspanning, te weinig respect, te weinig bewustzijn, van een teveel aan kortzichtige gemakzucht en van het hanteren en nastreven van modieuze effecten.

Het zou mooi zijn, en zelfs vanzelfsprekend, wanneer de overheid, het gekozen en verantwoordelijke bestuur, dit beginsel onderkende, erkende, er naar handelde. Wanneer zijn zich van haar verantwoordelijkheden bewust was, maatregelen nam en voorwaarden zou scheppen om het formuleren te bevorderen en om de gemeenschap in de gelegenheid te stellen om te participeren. Zolang kunst niet gehoord, gezien, gevoeld, ervaren wordt, bestaat ze maar gedeeltelijk.  Kunst vervult pas ene levensfunctie wanneer ze verteerd en opgenomen wordt.
In die zin vervult kunst een functie in een actuele democratie. Niet door de popularisering en bezoekersaantallen, maar door de uitdagende uitnodiging aan degenen die zich betrokken voelen.
Hier komen ethiek en esthetiek bij elkaar; esthetiek niet in de zin van oppervlakkige decoratieve schoonheid en ethiek niet als goede bedoelingen voor een goed, maar halfzacht doel.

Wat als je goedwillende overheid, zelfs met inzicht en visie waar het kunsten betreft, met de kunsten aan met wanneer dit inzicht en die visie maar door een klein deel van de gemeenschap ervaren, gedragen, beleden en onderschreven wordt, weet ik ook niet.
De afstand, het gapende gat tussen degenen die van de kunst zijn en degenen die er niet mee te maken (willen) hebben, die buitengesloten zijn – willens en wetens of omdat ze niet willen en niet weten = is nog steeds groot en wellicht onoverbrugbaar. Het is feitelijk en verontrustend. Hoewel: ik kan de formuleringen in die filosofie of in de natuurkunde ook niet van dag tot dag volgen en op mijzelf betrekken. Het gaat buiten mij o en ik ervaar dat als een tekort en als een gemis.
De ervaring leert mij, en ons,  dat we als tijd-, ruimte- en lotgenoten in hetzelfde schuitje zitten, maar dat alle schuitjes verschillend zijn. En dat leert ons de wederzijdse en zelfs tegengestelde ervaringen van afhankelijkheid; een nieuw beginsel, een nieuwe ervaring, een nieuwe (noodzakelijke) actieve deelname aan een democratische overlevingskans, een nieuwe dimensie, die (op dit moment) alles omvat en allen betreft of niet.
Ik zou niet willen beweren dat de kunsten in deze processen een rol van onmisbare betekenis spelen. Ik denk het wel, en ik ervaar het ook, maar ik zit in mijn eigen schuitje.

Toch zou ik willen, dring ik er op aan, bepleit ik, dat in een leven en een wereld waarin alles in specialismen en specialiteiten uit elkaar valt en de delen zich verder van elkaar verwijderen, de formulering, het aan de orde stellen, de intelligentie van de emotionaliteit, het alles betreffende, het alles aanrakende vanuit de oorsprong, het alles omvattende (of het nu het zwarte gat, de explosie of de implosie betreft, de scheiding of de fusie met of zonder argwaan, met of zonder instemming, met of zonder (h)erkenning) beschermd en gehandhaafd blijft. Al was het maar om deze gezamenlijke overlevingskansen in tijd en ruimte nog een tijdje te laten voortbestaan.
De kunsten zijn niet zaligmakend, zij bieden geen troost of verlichting, zij leggen niets uit (er valt niets uit te leggen of te verklaren). Zij scheppen verwarring. De kunsten zijn de begeleiders van ons (dagelijks) leven en als zodanig zijn zij van een algemeen belang, dat de steun van het algemeen belang (de overheid) verdient en behoeft.

We kunnen ons niet veroorloven om zelfs kleine kansen om bij het moment van de (onze) tijd en ruimte te blijven, ongebruikt te laten. Het is niet genoeg om het bestaan te bevestigen. Het gaat om de aandacht voor het andere, het andere is het nieuwe. Helemaal nieuw is er niets: het bestaat niet en we zouden het zelfs niet kunnen waarnemen. Kunst is een omgangsvorm: nieuwe associaties, nieuwe combinaties, nieuwe visies, nieuwe omgang, nieuwe vorm. Geplaatst in een groter kader, zijn er meerdere en andere betrekkingen, en ontstaan er relaties en relativeringen met als gevolg en bijwerking ernstige botsingen en schrijnende gaten, verheven ontroeringen en zelfs illusies van harmonie. Je moet er openingen voor maken (voor de kunst), gaten voor laten vallen, ruimte en ruimten voor scheppen. Vakverenigingen, sponsors en bestuurders scheppen geen kunst. Zij hebben een andere kijk op kunst en behartigen andersoortige belangen; hun streven is gericht op andere doelstellingen en nevenverschijnselen. Dit hoeft niet kwalijk te zijn, maar het schept wel verwarring en is in vele gevallen af- en misleidend, omdat het gebaseerd is op misvattingen en misverstanden met als gevolg effecten en pogingen om de kunst in hun bange en enge hoekje te drijven.
Een zekere mate van afhankelijkheid hoeft niet schadelijk te zijn, mits de zelfstandigheid wederzijds erkend is, en de verbindingen en verbintenissen niet leiden tot vreemdsoortige, parasitaire vermengingen en mengsels.
Ik heb mij altijd afgevraagd: waar gaat het om en over? OP basis van wat? en ten behoeve van wat?
Zo heb ik zitting genomen in en deelgenomen aan vergaderingen en commissies voor overleg, beleid, bestuur… van de Raden voor de Kunst (van stad en land), van de Raden voor de Stedenbouw (van stad en Staat), van Kunst- en adviescommissies van steden, universiteiten, en stichtingen. En zo ga en kom en rol je van het een in het ander. Ik heb me nooit een vertegenwoordiger van een groep gevoeld, het groepsbelang is een stukje van het algemeen belang. Door een onafhankelijke opstelling verwerf je de mogelijkheid en de vrijheid om zowel de bestuurders als de ambtenaren en de kunstenaren op hun tekortkomingen en hun kortzichtigheden te wijzen. Overigens wel met het besef en de bescheidenheid dat mijn bijdrage, als die van ieder ander, niet tot resultaten leidt, maar dat het resultaat een resultante is, die moeizaam en langs lange wegen tot stand komt. Vanuit een overtuiging, een zienswijze, een geloof van mijn part, een kans, die je niet onbenut mag laten en die je argeloos en met de nodige argwaan moet stellen in alle geledingen en op alle niveaus.
Ik denk dat ik dat gedaan en nagestreefd heb. Absoluut: kom maar op met andere tegengestelde argumenten. Relatief: het is misschien wel zo, of niet, of anders, maar wat dan nog en juist daarom.
Ik denk dat ik heb bijgedragen om sommige (min of meer) ernstige rampen te voorkomen of te verhinderen en dat er enkele geode zaken mede door mijn toedoen tot stand gekomen of bevorderd zijn.